BADHOTEL

BADHOTEL – dit hotel (oorspronkelijk ‘Badhuis’) werd rond 1882 gebouwd op de hoek Badlaan/Nienhuis Ruyskade nabij villa Flevorama. De eerste eigenaar was Rholing). Het hotel werd al in 1883 verkocht aan J.G.M. Mol, wijnkoper te Muiden. In 1895 werd W.H. Nolthenius de nieuwe eigenaar. Deze verkocht het na een jaar alweer door aan Coenraad Briedé.
Het Badhotel was het meest luxueuze hotel in het Gooi met een eigen trap naar het strand. Het had, om een toeristische folder uit die tijd te citeren, ‘geriefelijk ingerichte kamers, een leeszaal en een eetzaal en buiten een stalling voor paarden en rijtuigen.’ Naast het verhuren van kamers werden ook badstoelen, roeiboten, zeilboten en badkoetsjes verhuurd. Het hotel beschikte over een tent voor muziekuitvoeringen. Op zaterdagavond gaven Amsterdamse gezelschappen concerten en op zondagmiddag werd er gedanst op het strand.


De ligging aan het strand was dan wel ideaal, minder geslaagd was dat de Zuiderzee toentertijd in open verbinding stond met de Noordzee. Door hevige stormen en hoge golven werden hele stukken land weggeslagen. Om te voorkomen dat het hotel op zeker moment in het woelige water zou verdwijnen, werd in 1898/1899 door Briedé op eigen kosten (schatting 5.000 gulden) een stenen zeewering gemaakt. Vrij snel daarna verkocht hij het hotel. Een rendabele exploitatie werd bemoeilijkt door het feit, dat de zaken te veel afhankelijk waren van warme en zomerse dagen. De nieuwe eigenaar kwam in grote financiële moeilijkheden. Misschien wel als een zegen brandde het hotel in 1910 geheel af. Sinds die tijd waart een ludiek verhaal rond: de oorzaak van de brand zou een broedende kip zijn geweest (!). Piet de Raadt citeert uit een krantenartikel: aan de verzekering zou zijn opgegeven, dat ‘een broedse kip zoo hevig zat te broeden, dat het stroo in brand was gevlogen.’ Onbekend is of het krantenartikel op waarheid berust en zo ja, of de verzekering deze verklaring heeft geaccepteerd.
In 1913 werden de restanten van het eens zo prestigieuze hotel afgebroken. De grond werd in 1917 verkocht aan de toenmalige eigenaar van Flevorama, Alfred Weiss. Het braakliggende terrein werd lange tijd gebruikt als parkeerterrein voor de gasten van de horecabedrijven Flora en Faust. Toen Faust in 1970 werd gesloten, werd de grond door Johan Polak bij de tuin van zijn kapitale Flevorama getrokken.

*) Rob van der Heijde/Gré Dam noemen in het ‘Toenboekje’ 1899 als bouwjaar

« Terug naar Lexicon A-Z